De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling per 2019 rechtmatig is en niet in strijd met algemene rechtsbeginselen, het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids-, evenredigheids- of gelijkheidsbeginsel. Ook het beperkte overgangsrecht dat hierbij geldt, wordt niet als onrechtmatig beschouwd. De wetswijziging en het daarbij horende overgangsrecht vallen binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever.
Daarnaast heeft de Hoge Raad het beroep op artikel 1 van het EVRM (dat eigendomsrechten beschermt) verworpen. De verwachting dat de 30%-regeling gedurende de termijn op de beschikking zou gelden, kan niet worden aangemerkt als bestaand eigendom of legitieme verwachting die door dit artikel wordt beschermd. Temeer omdat in de beschikking is vermeld dat zij geldig is onder voorbehoud van wijziging in wet- en regelgeving. Het overgangsrecht is niet in strijd met non-discriminatiebepalingen in nationale of internationale verdragen.
De klacht dat de wetswijziging discriminatie oplevert op basis van de datum van aanwerving en toepassing van de regeling is eveneens verworpen. De Hoge Raad vindt de keuze van de wetgever voor een verkorte looptijd van de 30%-regeling en een beperkt overgangsrecht gerechtvaardigd.
